Herkenning en voorkomen van Russische en Noordse Kauwen in Nederland

Rudy Offereins calidris@xs4all.nl

Zoals verschenen in het Groningse blad Taxon, 3e jaargang, nummer 1, dat publiceert over zeldzame vogels in de provincie Groningen. Meer informatie over Taxon kan verkregen worden bij Bert de Bruin tete@wxs.nl

{Taxonomie en verspreiding} {Doortrek en overwintering } {Herkenning} {Voorkomen} {Discussie}

Noordse Kauwen Corvus monedula monedula. Wijster (Dr.), 1 februari 1998. Let op de grijzige halsbanden die op foto's zeer licht kunnen overkomen. Ook de vrijlopende Kauw rechtsachter is zeer waarschijnlijk een Noordse, ondanks de lichte halsband.

Sinds 1994 organiseert de Werkgroep Avifauna Drenthe in januari speciale wintertellingen. Op de telformulieren was vanaf het begin ook de Russische Kauw Corvus monedula soemmerringii opgenomen. Omdat het bij mij onmiddellijk de vraag opwierp hoe deze te herkennen is en hoe men deze vorm kan onderscheiden van de Noordse Kauw Corvus monedula monedula, besloot ik me vanaf dat moment meer in deze vorm van de Kauw te verdiepen en vanaf 1996 de aantallen bij te houden. Dit was niet zo moeilijk omdat er in mijn telgebied in de winter nogal wat Kauwen voorkomen. De waarneming en beschrijving van twee Russische Kauwen in januari 1998 nabij de Kazerne van het Lauwersmeer, Groningen resulteerde uiteindelijk in het schrijven van dit artikel.

De opzet van dit artikel is een poging inzicht te geven in de veldherkenning en het voorkomen van de twee in het winterseizoen in Nederland voorkomende ondersoorten van de Kauw, te weten de Russische en de Noordse Kauw. Dit omdat in de meeste vogelboeken slechts een paar regels aan de herkenning van deze ondersoorten worden gewijd, wat vaak ook nog voor meerdere uitleg vatbaar is. Ook de status die in lokale en landelijke literatuur aan beide ondersoorten gegeven wordt, lijkt niet overeen te komen met de werkelijke situatie.

De beschrijving van beide ondersoorten en de onderlinge vergelijking is deels een samenvatting van de beschikbare literatuur en het bekijken van balgen in het Zoölogisch Museum te Amsterdam (ZMA), maar voor een groter deel een interpretatie van mijn ervaringen met beide ondersoorten in het veld. Ook met betrekking tot het voorkomen van beide ondersoorten in Groningen en Drenthe put ik deels uit eigen waarnemingen.


Taxonomie en verspreiding

De Kauw is in drie ondersoorten opgesplitst, te weten de (Westerse) Kauw Corvus monedula spermologus, Noordse Kauw C. m. monedula en Russische Kauw C. m. soemmeringii.

Door Voous (1950) en Voipio (1969) wordt de Noordse Kauw gezien als de meest westelijke vertegenwoordiger van de westelijke uitbreiding van de soemmerringii-tak. Kort door de bocht gesteld zou dit inhouden dat de Noordse Kauw feitelijk de overgangsvorm is tussen de twee meest herkenbare vormen van de Kauw, te weten de Russische (soemmerringii) en de Westerse Kauw (spermologus).

De Russische Kauw wordt door sommigen nog verder onderverdeeld in de vorm collaris in Zuidoost-Europa en ultracollaris in Centraal-Siberië en Mongolië (o.a. Cramp en Perrins, 1994, Glutz von Blotzheim & Bauer, 1991).

De Noordse Kauw broedt in zuidoost Noorwegen, Zuid-Zweden en noord en Oost-Denemarken (Cramp & Perrins, 1994), met het grootste aandeel in zuid- en Midden-Zweden (Glutz von Blotzheim & Bauer, 1991). Kauwen die voorkomen in het gebied tussen c 10 en c 23 oosterlengte, zuidelijk tot Oostenrijk en Kroatië zijn in het verleden aangeduid als de vorm turrium (o.a. Voous 1950). Deze vorm is door sommigen in de spermologus-groep geplaatst maar verschilt hier dusdanig van dat deze het beste bij de ondersoort monedula geplaatst kan worden, waar deze ook het meest op lijkt (Cramp & Perrins, 1994). Dit houdt in dat de overgangszone van spermologus met monedula in Europa in een brede zone ligt van Zuid-Denemarken, Noordwest-Duitsland, Oost-Nederland tot Noordoost-Frankrijk en Zwitserland, en dat de ondersoort monedula zo bezien bij onze oostgrens al zou beginnen!

In Zuid-Finland gaat de Noordse Kauw van west naar oost geleidelijk over in de Russische Kauw (Voipio 1969). De overgangszone loopt verder van noord naar zuid over de Baltische Staten en Oost-Polen tot Oost-Roemenië en Kroatië (Cramp & Perrins, 1994). Het eigenlijke verspreidingsgebied van deze vorm bestaat uit een enorm gebied dat de gehele voormalige Sovjet-Unie omvat tot aan het Baikalmeer en Noordwest-Mongolië, met de zuidgrens in Turkije en Israël en oostelijker tot aan de Himalaya (Voous 1960, Cramp & Perrins, 1994, Madge & Burn, 1994).


Doortrek en overwintering

De westelijke Kauw is in doorsnee standvogel. De noordelijke en oostelijke populaties hebben meer neiging tot trekken. De Russische Kauw is een uitgesproken trekvogel. In het algemeen trekken eerstejaars vogels meer en over langere afstanden. Op trek verenigen de Kauwen zich vaak met Roeken Corvus frugilegus (Cramp & Perrins, 1994, Voous, 1960).

Omdat de trekrichting van Kauwen in het najaar (west)zuidwestelijk is, kunnen in Nederland zowel Noordse als Russische Kauwen worden aangetroffen. Van de Noordse Kauw is bekend dat de vogels die in het najaar uit hun noordelijke broedgebieden wegtrekken voornamelijk in Noord-Denemarken en de Benelux tot Noordwest-Frankrijk overwinteren. Finse Kauwen overwinteren van Noord-Denemarken tot in Nederland (Glutz von Blotzheim & Bauer, 1991). De Russische Kauw overwintert vanaf het broedgebied zuidwestwaarts over Zuid-Zweden tot in Midden-Europa ten noorden van de Alpen (Glutz von Blotzheim & Bauer1991).

De eerste Noordse Kauwen komen in oktober in ons land aan met een piek in november. Het is aannemelijk dat de Russische Kauwen vanwege de langere trekafstand later aankomen. De eerste Noordse/Russische Kauwen verlaten ons land vanaf februari tot in begin april (Cramp & Perrins, 1994, van Dijk & van Os, 1982). Op de telpost in de Eemshaven worden echter tot begin mei nog kleine groepjes noordwaarts trekkende Kauwen en Roeken waargenomen. Hieronder kunnen zich Noordse en/of Russische Kauwen bevinden. Onder de noordwaarts trekkende Kauwen die hier eind april en de eerste week van mei 1999 goed bekeken konden worden, bevonden zich geen zekere Noordse of Russische Kauwen.


Herkenning

Algemeen

Voor het op naam brengen van een van de kauwenrassen is het belangrijk om de houding en lichtval goed in te schatten. Een kauw van het noordelijke ras kan naar de waarnemer toe gericht een veel wittere halsvlek vertonen dan van opzij gezien. Ook kan een halsvlek als gevolg van zonlicht lichter lijken dan deze in werkelijkheid is. Dit effect wordt vooral zichtbaar als men deze kauwen onder deze omstandigheden fotografeert, wat zeer onbetrouwbaar fotomateriaal kan opleveren. Bewolkt weer levert feitelijk de beste omstandigheden op om de kenmerken van de diverse kauwenrassen goed te kunnen interpreteren.

Rui

Adulte Kauwen van alle drie rassen beginnen hun hand- en armpennen en staart te vervangen vanaf het midden van mei. Deze rui is begin tot midden oktober voltooid (Cramp & Perrins, 1994). Adulte vogels die in Nederland in de winter worden aangetroffen bevinden zich dus in vers kleed. Tegen eind maart begint het de nodige sleet te vertonen, waardoor de sikkel witter kan lijken. In het broedkleed vervaagt de sikkel bij beide ondersoorten (Cramp & Perrins, 1994, Svensson, 1992).

Noordse Kauw

In vergelijking met een adult winter Kauw heeft een Noordse Kauw een lichtere wang en achterhoofd. Dit kan als maximum iets lichter zijn dan de Kauw in broedkleed. Dit komt echter niet zo vaak voor. De meeste adulte Noordse Kauwen hebben een wangkleur die iets lichter is dan de onderdelen. Bij gewone Kauw zijn deze even donker (Cramp & Perrins, 1994). De onderdelen zijn effen potloodgrijs en lichter dan Kauw, die meer zwartgrijze onderdelen heeft. Hierdoor steekt bij Noordse Kauw de keel vaak zwart af tegen de buik. Vooral in directe vergelijking met een Kauw is de lichtere buik een duidelijk en bruikbaar kenmerk. Sommige Noordse Kauwen kunnen een dusdanig lichtgrijze buik hebben, dat buik, wang en rug dezelfde kleur lijken te hebben, met contrasterende zwarte vleugels, kopkap en keel.

Noordse Kauw Corvus monedula monedula. Wijster (Dr), 20 februari 1999. Een typische adult, met vaalgrijze wang en nek. De buik is nauwelijks donkerder en meer potloodgrijs. De zwarte keel steekt hierbij af. De halsband is het bleekst in de ondernek, meer vlekkerig grijs naar achteren en vervaagt langzaam (zie ook de foto hieronder).

Het meest in het oog springende kenmerk van de Noordse Kauw is de (licht)grijze sikkel die van de ondernek naar het achterhoofd loopt. Deze is echter nogal variabel. Als minimum heeft de Noordse Kauw slechts een grijze vlek in de ondernek en als maximum een bijna witte vlek in de ondernek die naar achteren toe als een brede, (licht)grijze sikkel wegloopt. Het geheel kan bij de laatste in direct zonlicht wit lijken. Dit type sikkel wordt echter vrijwel altijd naar het achterhoofd toe wat vlekkerig in de vorm van grijze dwarsstreepjes en is zeker bij het achterhoofd niet scherp begrensd. Tussen deze uitersten is alles mogelijk. Breedte en duidelijkheid van de sikkel zijn afhankelijk van de houding van de vogel. De sikkel is het breedst wanneer de vogel de nek uitstrekt. In deze houding is de vlekkerige structuur van de sikkel te zien. In een meer ingezakte houding is de sikkel als een dun licht lijntje zichtbaar en is de vogel vrijwel niet op ondersoort te brengen. Kauwen met een vrij forse diffuse grijze vlek in de ondernek, een blekere wang en lichter grijze buik dan Kauw behoren naar alle waarschijnlijkheid tot de vorm turrium, die tot de monedula-groep behoort (Cramp & Perrins, 1994).

Noordse Kauw Corvus monedula monedula. Wijster, 20 februari 1999. Ander exemplaar. De vlekkerige en brede (maar niet helder witte!) sikkel is hier ongeveer het maximum voor Noordse.

 

 

 

 

 

 

Noordse Kauw Corvus monedula monedula. VAM Wijster, 31 oktober 1999. Erg typisch adult exemplaar met een fraaie zilveren sikkel (oogt witter als gevolg van zonlicht) en een grijze buik.

 

 

 

 

 

 

 

 

 Russische Kauw

Een uitgesproken Russische Kauw is moeiteloos op naam te brengen. Wang en achterhoofd zijn duidelijk lichter dan de Kauw en kunnen even licht zijn als de meest lichte Noordse Kauw. Bij de Russische Kauw is de wangkleur echter altijd wat intenser met een lichte paarsgrijze tint er in. Hierdoor steken de zwarte kopkap en keel extra duidelijk af, wat bij een doorsnee Noordse Kauw minder duidelijk is. De onderdelen zijn zwartgrijs en zitten qua tint tussen Kauw en Noordse Kauw in (Voous, 1960, Cramp & Perrins, 1994). Door deze donkere tint steken de lichte wang en de witte sikkel extra duidelijk af, waardoor de vogel zeer contrastrijk kan overkomen.

Russische Kauw Corvus monedula soemmerringii. Vuilstort Veendam (Gr), datum onbekend (Emo Klunder). Contrastrijk exemplaar. Let op de lichte wang, de donkere buik en de daarbij afstekende, scherp begrensde en helder witte halsband. De halsband is het breedst in de ondernek en versmalt sterk nabij het achterhoofd (zie ook de foto hieronder).

 

De sikkel is altijd helder wit en scherp begrensd over de gehele lengte. Aan de basis in de ondernek is de sikkel ongeveer een halve centimeter breed. Als de vogel naar de waarnemer toe loopt of vliegt, kan deze brede basis ogen als een felle witte vlek. De sikkel is 4-5 cm lang. Van achteren gezien zijn beide sikkels zichtbaar als dunne, scherp begrensde lijntjes die ruim voor het achterhoofd ophouden. Bij de meest extreme Noordse Kauw zijn twee diffuse vage witgrijze vegen te zien.

Russische Kauw Corvus monedula soemmerringi. Vuilstort Veendam (Gr.) Foto: Emo Klunder.

Een andere Russische Kauw is te zien op de homepage van Teus Luijendijk.

De soms onderscheiden vorm collaris wordt gezien als de meest helder gekleurde vorm van de Russische Kauw, met een helder witte halssikkel, verbredend tot een witte vlek in de ondernek. De overgang naar deze vorm is echter dusdanig clinaal te noemen dat deze het beste tot de ondersoort soemmerringii gerekend kan worden (Madge & Burn, 1994). De vorm ultracollaris is de meest oostelijke vertegenwoordiger van de Russische Kauw. Alhoewel deze vorm geen echte status heeft en niet officieel onderscheiden wordt, kan deze toch zeer duidelijk zijn. Een adult exemplaar van deze vorm in het ZMA, verzameld in januari 1930 in Xinhiang, China had twee witte halsbanden aan beide zijden van de kop, die elkaar op de borst en op het achterhoofd op een kleine centimeter na net niet raakten. Op de borst en in de ondernek was deze sikkel het breedst. Dit exemplaar is wellicht de meest duidelijke verschijningsvorm van de Russische Kauw. In de literatuur wordt ultracollaris echter juist wat donkerder genoemd dan soemmerringii (pers. med. Kees Roselaar).

Kauw

De Westerse Kauw vertoont in de winter geen sikkel of grijze vlek in de ondernek. Ook hebben ze een donkerder wang, nek en onderbuik dan Noordse Kauw. In het voorjaar kan als het gevolg van sleet bij de Kauw een dun grijs lijntje ontstaan in de ondernek en onderaan de wang.

 Eerste winter vogels

Alhoewel het in de literatuur wordt afgeraden Kauwen in eerste winterkleed op ondersoort te brengen (Cramp & Perrins, 1994), wil ik er toch iets over zeggen.

Alle ondersoorten van de Kauw kunnen in het algemeen als eerstejaars herkend worden door de nog juveniele dofbruine hand- en armpennen en staart, in tegenstelling tot de glimmende veren bij adulte vogels (Cramp & Perrins, 1994, Voous, 1960). De verdere kenmerken om eerste winter vogels op ondersoort te brengen liggen subtieler.

 De Noordse Kauw is van de vrijwel egaal grijszwarte Kauw te herkennen door de lichter grijze buik. De wangkleur is vergelijkbaar met een adult winter Kauw en dus iets lichter dan eerste winter Kauwen, waardoor de zwarte kopkap meer contrasteert. Tevens bezitten de vogels soms een klein grijs sikkeltje of vlekje onder in de nek. Dit hoeft echter niet altijd het geval te zijn (Voous, 1960). Aan de door mij bestudeerde eerste winter Russische Kauwen in het ZMA viel op dat de wangkleur vrijwel identiek was aan die van adult winter vogels. Bij vrijwel alle vogels ontbrak een witte of bleke halssikkel. Bij een onderzoek in Oost-Finland (Voipio, 1969), waar de kauwen tot de ondersoort soemmerringii worden gerekend, hadden 43% van de eerste winter vogels een wittige halsband en slechts 2 vogels een echt witte halsband (n=46). De kleur van de onderdelen ligt in het algemeen tussen Noordse Kauw en Kauw in.

 Subtielere kenmerken

Op basis van maten zijn de drie kauwenrassen vrijwel niet uit elkaar te halen en dat is opmerkelijk voor een soort met zo`n groot verspreidingsgebied. De snavel van de Westerse Kauw is iets zwaarder en de middelste teen is iets langer dan de andere rassen (Cramp & Perrins, 1994).

Voous (1960) nam tijdens zijn onderzoek naar Russische Kauwen in Nederland een verschil in glans van de kopkap waar. Deze was paarsblauw bij Noordse en Westerse Kauwen en inktblauw bij Russische Kauwen. Bij eigen onderzoek in het ZMA vond ik dit kenmerk vrij lastig te bepalen. Uiteindelijk viel het alleen op in directe vergelijking met Westerse Kauw. Verder trof ik bij balgen van Russische Kauwen, verzameld in hun broedgebied, ook een paarsblauwe glans op de kopkap aan, vergelijkbaar met de Westerse Kauw. Opmerkelijk was dat ik de inktzwarte glans van de kopkap bij elke eerste winter Russische Kauw aantrof en niet bij elke adulte.

Voous (1960) trof bij Noordse Kauwen een duidelijke zandtint op de onderdelen aan. In het veld heb ik dit, na het bekijken van honderden Noordse Kauwen, nog nooit kunnen vaststellen. In het ZMA hadden echter alle Noordse Kauwen een dergelijke zandtint en wel zeer duidelijk! Men kan zich afvragen of deze in de eerste helft van deze eeuw verzamelde collectie Noordse Kauwen, om wat voor reden dan ook, een verkleuring verkregen heeft. Bij onderzoek aan dezelfde collectie door J.F. de Miranda et al. (G.J. Oreel in litt.) werden de volgende kenmerken genoteerd: bij de Russische Kauw was de kopkap hoekiger en korter dan bij de andere rassen. Verder waren de keel en snavelbasis zeer donker. Bij de Noordse Kauw was de kopkap meer ovaal en nagenoeg even groot als bij de Kauw. Bij de Kauw contrasteerden keel en onderdelen niet.

 Variatie

Hiervoor heb ik de meest gangbare kenmerken van Russische en Noordse Kauwen beschreven en als alle exemplaren van deze rassen zich hieraan hielden, waren er geen determinatieproblemen. Dit is echter niet het geval. Vanwege de brede overgangszones tussen de diverse rassen en de daaruit voortvloeiende individuele variatie kan het op naam brengen van kauwen een hele opgave zijn. Specifiek onderzoek naar de variatie in een overgangszone tussen Noordse en Russische Kauw is gedaan door Voipio (1969) in Zuid-Finland. Ook Voous (1960) heeft de variatie binnen Russische Kauwen beschreven.

Vanwege het clinale karakter van het voorkomen van de lichte sikkel is de geografische variatie enorm. Een duidelijke trend bij Noordse Kauw in Scandinavië is dat de sikkel van noord naar zuid geleidelijk donkerder en kleiner wordt en ook minder vaak voorkomt (Voipio, 1969). Daarnaast is de individuele variatie dusdanig, dat sommige vogels helemaal geen halsband vertonen of slechts een vage. Dit komt vaker bij Noordse dan Russische Kauwen voor en betreft relatief vaak vrouwtjes (Voous, 1960, Voipio, 1969). Bij onderzoek hiernaar door Voipio in Zuid-Finland bleek dat de gemiddelde grootte van de halsband van west naar oost toenam. De meest oostelijke onderzochte Kauwen hadden zelfs een twee keer zo grote gemiddelde halsband dan de westelijke. Ook werd de halsband van west naar oost witter. Hierbij moet aangetekend worden dat de vrouwtjes gemiddeld een "donkerder" halsband hebben dan mannetjes. Tenslotte ontbraken bij de oostelijke populatie de halsbandloze exemplaren (n=16). Voipio concludeerde hieruit dat de gehele Finse Kauwenpopulatie feitelijk een tussenvorm is tussen de Scandinavische en de noordwestelijke Russische populaties met alleen zuivere Russische Kauwen in het uiterste oosten. Voipio stelt tevens dat zelfs de meest zuidwestelijke populatie in Finland geen pure Noordse Kauwen zijn, vanwege de hoge graad van variatie van de halsband en het voorkomen van een intermediaire vorm van Noordse en Russische Kauw bij Uppsala. Dit betekent dat de overgangszone tussen Noordse en Russische Kauwen in noordoost Scandinavië zeker 270 km bedraagt.

Bij onderzoek van Voous (1960) aan Kauwen uit het gebied van de rivieren de Boeg en de Njemen in Polen, waar de vormen turrium/monedula en soemmerringii elkaar treffen (Voous, 1950), werden uiterst gevarieerde broedpopulaties aangetroffen, die de indruk wekten bastaardpopulaties te zijn. Het betrof hier vogels met variërende of zelfs ontbrekende halsbanden (16%) en vogels met donkere wangen (16%) en onderdelen (8%), niet verschillend van Westerse Kauw.

Mijn ervaring in het veld tot nu toe is dat de variatie bij Noordse Kauw inderdaad enorm is, maar niet meer dan in het onderdeel herkenning van dit artikel is beschreven. De meest verwarrende exemplaren zijn die met de witte vlek in de ondernek die vervolgens breed, (licht)grijs wegloopt naar achteren. Ook de Noordse Kauwen met een brede (licht)grijze sikkel vanaf hun ondernek naar hun achterhoofd kunnen in zonlicht veel op Russische Kauwen lijken. Het is uiteraard wel zo dat in het veld alleen de Russische/Noordse Kauwen met de meest uitgesproken halsbanden uit een vaak beweeglijke groep Kauwen gepikt worden en dat eerste winter vogels en de exemplaren zonder halsbanden onopgemerkt blijven. Alleen als men diverse individuen uitgebreid en van dichtbij kan bekijken, kan wellicht meer gezegd worden over hun identiteit.

Noordse/Russische Kauw Corvus monedula monedula/soemmerringi. Wijster, 20 februari 1999

De donkere tint van de wang en nek en de matig ontwikkelde halsband doen hier aan een Noordse Kauw denken. De grijszwarte buik en de wit doorschemerende, scherp begrensde vlek in de ondernek duidt meer op Russische Kauw. Mogelijk is dit een exemplaar uit het overgangsgebied van Noordse en Russische Kauw in Oost-Polen. De vogel is derhalve niet met zekerheid op ondersoort te brengen.

 

 

 


Voorkomen

Status in Nederland

Als men op basis van bovenstaande kenmerken naar het voorkomen van de twee ondersoorten van de Kauw kijkt, dienen de beide ondersoorten een andere status krijgen dan men in de sommige literatuur aantreft (o.a. SOVON, 1987, van Dijk en van Os, 1982). Op basis van eigen veldervaringen kom ik tot de conclusie dat de Noordse Kauw in de winterperiode in Drenthe een plaatselijk algemeen voorkomende ondersoort is en dat hier slechts enkele Russische Kauwen tussen zitten. Dit blijkt uit de tellingen die ik de afgelopen jaren heb gehouden rondom Assen en de VAM bij Wijster, die als bijlage bij dit artikel zijn gevoegd. Deze conclusie wordt in de meer recente literatuur gedeeld. Hierin krijgt de Noordse Kauw de status van algemene wintergast en is de Russische Kauw een regelmatige schaarse wintergast in het zuiden en oosten van Nederland (Cramp & Perrins, 1994, van den Berg & Bosman, 1999).

Hierbij moet opgemerkt worden dat als veel Kauwen die hier overwinteren eerstejaars vogels zijn, veel Noordse en vooral veel Russische Kauwen over het hoofd worden gezien, en dat alleen de meest herkenbare exemplaren met duidelijke halsbanden opgemerkt worden. Hetzelfde geldt uiteraard voor de exemplaren die geen halsband vertonen (relatief vaak vrouwtjes). Met name de Russische Kauw zou dus nog wel eens wat algemener kunnen zijn dan men denkt.

Op basis van ringvangsten blijkt het voorkomen van de Noordse Kauw in Nederland eveneens, al zijn de teruggemelde aantallen aan de lage kant. In Drenthe zijn drie in Zuid-Scandinavië en Zuid-Finland geringde Kauwen teruggemeld (van Dijk & van Os, 1982). Thiemes Vogeltrekatlas meldt 21 Kauwen die in het buitenland zijn geringd en in Nederland zijn teruggemeld. Hiervan kwamen 13 uit Zuid-Scandinavië en 2 uit Zuidwest-Finland (Speek & Speek, 1984). Het voorkomen van Russische Kauw in Nederland is puur op basis van ringvondsten (nog) niet vastgesteld.

In Boksum (Fr) is dit voorjaar een Noordse Kauw met een gewone Kauw tot broeden gekomen. Dit geval is fotografisch vastgelegd (pers. med. A. Terpstra). Mogelijk vinden dit soort gemengde broedgevallen vaker plaats.

Voorkomen

Het voorkomen van beide ondersoorten van de Kauw lijkt grotendeels beperkt te blijven tot de hogere zandgronden van Oost- en Zuid-Nederland. Op de kleigronden van Groningen ben ik in de winter sporadisch grote groepen Kauwen tegengekomen met hierin slechts enkele Noordse Kauwen. Een voorbeeld is een groep van ongeveer 150 Kauwen nabij de kazerne van het Lauwersmeer, die op 4 januari 1998 10 Noordse en 2 Russische Kauwen opleverde. Ongeveer dezelfde verhoudingen zijn aangetroffen in Friesland, waar bij Oostbierum tussen 232 geringde Kauwen slechts 5 Noordse Kauwen werden aangetroffen (Jukema & Rijpma, 1997). De verhouding verandert sterk op de hogere zandgronden in de omgeving van Noord- en Midlaren, waar zich op 2 januari 1999 diverse groepen Kauwen ophielden. Tussen 245 Kauwen bevonden zich hier 81 Noordse Kauwen. Ik heb die dag geen Russische Kauwen aangetroffen.

Het is aannemelijk dat met name de Noordse Kauw een algemene doortrekker is in Groningen. Bij tellingen in de Eemshaven worden regelmatig grote groepen Kauwen op trek waargenomen. Deze vliegen echter doorgaans te hoog om de ondersoort vast te stellen. Voor de bepaling van de precieze status van Noordse en Russische Kauw in Groningen is derhalve nog het nodige onderzoek nodig.

In Drenthe kunnen `s winters in diverse halfopen biotopen op de pure zandgronden groepen Kauwen aangetroffen worden, waartussen zich doorgaans Noordse Kauwen ophouden. Rondom Assen ligt deze verhouding gemiddeld rond de 20% Noordse Kauwen, terwijl het in de ruime omgeving van de VAM bij Wijster kan oplopen tot 90%. De gemiddelde groepsgrootte is hier ook groter, met groepen van 530 (1 februari 1998) tot 750 (31 januari 1999) Kauwen waargenomen. Rondom Assen is de gemiddelde groepsgrootte zo`n 150 exemplaren. De trefkans voor Russische Kauw is in Wijster uiteraard hoger, met op 1 februari 10 exemplaren tussen 530 (meest Noordse) Kauwen, maar slechts 3 tussen 750 Kauwen op 31 januari 1999. De waarneemomstandigheden waren bij deze laatste groep echter niet ideaal.

Bij Wijster is het opmerkelijk dat er zich een tweedeling lijkt voor te doen in de groepen Kauwen. Er kunnen groepen Kauwen waargenomen worden op de akkers in de wijde omgeving van de VAM en er zitten altijd veel Kauwen (tot 1200) op de vuilnisbelt, of er vlak naast. De groepen in de wijde omgeving van de VAM bestaan vaak grotendeels uit Noordse Kauwen, met als voorbeeld een groep van 388 Kauwen op 31 januari 1999 nabij Spier, waarin zich slechts 18 gewone Kauwen ophielden en 1 Russische Kauw. Tegelijkertijd bevond zich op en vlak naast de VAM een groep van 750 Kauwen, met naar mijn inschatting 70% Noordse en 3 Russische Kauwen. Met name het hoge aantal eerste wintervogels was hier opvallend. Het is typisch om te zien dat bepaalde Noordse en Russische Kauwen, vrijwel altijd in gezelschap van Roeken, de voorkeur lijken te hebben hun voedsel in het open gebied te halen in plaats van te "snacken" op de VAM. Wellicht trekken Noordse en Russische Kauwen liever op met Roeken, die niet gewend zijn hun voedsel van vuilnisbelten te halen. Het kan ook zijn dat deze Kauwen met de Roeken mee naar onze streken gekomen zijn. De groep Kauwen nabij Erp (Noord-Brabant) die Voous (1960) onderzocht, bestond geheel uit Russische Kauwen en ook ervaringen in België zijn dat Russische Kauwen zonder menging met gewone Kauwen met Roeken optrekken (Jos Cuppens in litt.). Het lijkt nog te vroeg voor de conclusie dat hoe zuidelijker men komt, hoe homogener de wintergroepen van Kauwen worden. Wel lijkt het aannemelijk, gezien de algemene trekrichting van Kauwen, dat men in Zuid-Nederland en België meer Russische Kauwen uit Oost-Polen en de Baltische Staten kan aantreffen.


Discussie

Is het mogelijk `s winters elke willekeurige Kauw op ondersoort te brengen? Dat is de vraag die ik, toen ik aan dit artikel begon, wilde beantwoorden. Het antwoord luidt helaas nee. Het zou eenvoudig zijn als alle Noordse en Russische Kauwen een halsband zouden vertonen, waar hun identiteit uit op te maken zou zijn. Dit is niet het geval. Afgezien van de variatie bij adulte vogels bestaat een aanzienlijk deel van de in Nederland overwinterende Noordse en Russische Kauwen uit eerstejaars vogels, die doorgaans niet met zekerheid op naam te brengen zijn. Blijft tevens het gegeven dat Kauwen uit de brede overgangszones in Zuid-Finland en Oost-Polen feitelijk niet tot één van beide ondersoorten gerekend kunnen worden en dat juist deze Kauwen zeer kansrijk zijn om in de winter in Nederland op te duiken. Het benoemen van Kauwen in de vorm van ondersoorten is dus wel dapper maar soms erg discutabel.

In de praktijk is het, op basis van de in dit artikel genoemde kenmerken, echter mogelijk niet elke maar wel een groot deel van de adulte Kauwen `s winters te benoemen. Dat dit in eerste instantie gebeurt op basis van het al dan niet hebben van een (licht)grijze of witte halsband is niet te vermijden. De tint van de onderdelen is dan een belangrijk aanvullend kenmerk.

De Kauw en de Russische Kauw blijven in alle gevallen de meest duidelijk herkenbare vormen. Alle Kauwen hier tussenin zou men min of meer tot de Noordse Kauw kunnen rekenen. Hieronder vallen dus ook de Kauwen in de brede overgangszones tussen Russische en Noordse Kauw. Het is daarom misschien het beste de ondersoortstatus aan te houden voor Westerse en Russische Kauw en de Noordse een "vorm" te noemen.


Dankzegging

De volgende personen hebben gegevens geleverd om dit artikel mogelijk te maken: Theo Bakker, Arnoud B. van den Berg, Bert de Bruin, Emo Klunder, Teus Luijendijk, Gerald Oreel, Ale Terpstra en Rik Winters. Verder wil ik speciaal Kees Roselaar bedanken voor zijn begeleiding in het ZMA en het doorlezen van dit artikel.


Literatuur

van den Berg, A B & Bosman, C A W. 1999. Avifauna van Nederland 1. Zeldzame vogels van Nederland. Haarlem/Utrecht

Cramp, S & Perrins, C M 1994. The birds of the Western Palearctic 8. Oxford.

van Dijk, A J & van Os, B 1982. Vogels van Drenthe. Assen.

Glutz von Blotzheim, U N & Bauer, K M 1991. Handbuch der Vögel Mitteleuropas. Wiesbaden

Jukema, J & Rijpma, U 1997. Populatiesamenstelling van overwinterende Kauwen Corvus monedula in Noord-Friesland. Limosa 70:61-66.

Madge, S & Burn, H 1994. Crows & Jays: a guide to the crows, jays and magpies of the world. London.

SOVON 1987. Atlas van de Nederlandse Vogels. Almelo.

Speek, B J & Speek, G 1984. Thiemes vogeltrekatlas. Zutphen.

Svensson, L 1992. Identification guide to European Passerines. Stockholm.

Voipio, P 1969. Geographical variation in Corvus monedula in Finland. Ardea 57:48-63

Voous, K H 1950. The post-glacial distribution of Corvus monedula in Europe. Limosa 23: 281-292.

Voous, K H 1960. Het voorkomen van Oosteuropese Kauwen (Corvus monedula soemmerringii) in Nederland in de winter 1948-1949. Limosa 33: 128-134.

Rudy Offereins, Grote Kerkstraat 109 8911 EB Leeuwarden

calidris@xs4all.nl


Bijlage

Enkele waargenomen groepen vanaf 1996:


Terug naar de hoofdpagina